‘Misschien had ik niet verwacht dat hij het zou vertellen, dr. Mondsch. Het was ons geheim. Nu ben ik ineens de boeman. Ik heb dát soort gevoelens niet. Integendeel. Ik val normaal op oudere mannen. Ervaren. Ik heb altijd gezegd dat een man moet zijn als een goede ober: zelf onzichtbaar en jou dienend.
‘Op de poolparty van de Beentjes. De familie Been? Groot huis in Bloemendaal. Klassieke midlife-man met een Defender. Vrouw trippelt vrolijk op en neer met een Chardonnaytje maar staat in werkelijkheid op instorten. Ik was erheen met Paul en de kinderen.’
‘Ja, wat moet ik zeggen. Een gewone, saaie namiddag. Tot ik hem zag. Hij was me nog niet eerder opgevallen, ik kende hem van horen zeggen eigenlijk, zijn moeder sprak wel eens over hem op een ouderavond, hij zat bij Sjoerd in de klas. Een keer zei ze tegen me: “Fleur, ik krijg geen vat op die jongen, hij is zo in zichzelf gekeerd.” Ik antwoordde dat hij vast tijd nodig had om te ontbolsteren.
‘Het was duidelijk dat hij zich verveelde. Hij hing met één schouder tegen de schutting te staren naar hoe de cateringmeisjes tussen de mensen door dwarrelden met hooggedragen dienbladen vol culinaire hapjes. Ik kwam naast hem staan en zei tegen hem dat het een poolparty was terwijl ik op zijn smoking met strikje wees. Zijn kin trok wat omhoog en er verscheen een spottend lachje. “Zwemmen? Er is weinig zo middelmatig als mensen die zwemmen in hun eigen zwembad.” Ik was gelijk weg van hem.
‘Eigenlijk was het een beetje een ielig manneke, zijn jasje zakte losjes over de smalle schouders. Uit het borstzakje stak een pocketboekje. Hij had een mooie, slanke kaaklijn, die hij zo inzette dat het continu leek of hij je niet serieus nam. Edouard heette hij.
‘Voor ik het wist stond hij met twee glazen bubbels, die hij bij zo’n cateringmeisje moet hebben bemachtigd. In zijn aanwezigheid begon ik even te twijfelen hoe ik het glaasje vast moest houden, aan de voet of toch aan de steel? Zo’n akelig zelfbewustzijn, tegenover een jochie nota bene. Edouard had daar geen last vast en balanceerde het glas als een dandy tussen zijn vingers. Hij leek slechts te nippen, maar intussen naderde de vloeistof rapper de bodem dan bij mij.
‘Zonder omhaal constateerde hij hardop dat zijn ouders klassieke bourgeois waren. Ik moest me daar maar niets van aantrekken, voegde hij daaraan toe. Alsof ik voor mijn lol naar dat feestje ging! Maar dat zei ik hem niet. Ik kwam dichter bij hem staan, voelde hoe mijn hete adem hem beroerde, en fluisterde in zijn oor: “je gedraagt je anders wel als hun kroonprins.” “Een dauphin?” antwoordde hij grijnzend. Toen hield ik het niet meer.
‘Aan mijn hand. Echt waar. Ik heb hem aan mijn hand door de menigte getrokken, naar de bijkeuken van de Beentjes. Hij schrok niet eens. Liet zich breed grijnzend meetrekken. Alsof hij de controle had.
‘Misschien heeft u gelijk en is het daarom verkeerd. Hij was ook niet in staat besluiten te nemen. Dus nam ik het voortouw en ging op het aanrecht zitten. Gele tegeltjes en een zwart aanrechtblad. Alsof ik op een levensgrote wesp zat. Mijn benen sloeg ik als twee krabbenscharen om zijn kont en trok hem naar me toe. Het jochie probeerde een pauze in te lassen door zijn voorhoofd tegen de mijne aan te drukken en me in de ogen te kijken. De schat. Ik had alleen maar oog voor zijn baardloze smoeltje en zocht zijn mond.
‘Misschien overdrijf ik, maar zijn tong was pezig, ruw en onbezonnen, zo onstuimig als een kalf. Vooral op mijn gehemelte, waar een ongekende sensatie een deken kippenvel veroorzaakte. Zijn koude handen gleden over mijn bovenbenen en heupen. Ik duwde me omhoog zodat hij het nylon over mijn billen kon trekken. Toen merkte je dat hij dit nooit had gedaan. Hij bleef twee keer haken en de tweede keer zei ik daar iets van. Ik moest nog terug naar dat feestje, kon daar moeilijk met een enorme ladder aankomen. Hij schrok en stopte. Mijn panty hing ter hoogte van mijn knieën en ik kon geen kant op. Ook van zijn verveelde arrogantie was weinig meer te zien.
‘Natuurlijk twijfelde ik. Maar ik had niet het idee dat het tegen zijn wil inging, dus pakte ik zijn hand en duwde die tussen mijn benen. Ik hijgde in zijn oor, likte zijn oorlel, kreunde dat hij door moest gaan. En ondanks zijn koude vingers, die onervaren spartelden, werd ik zo nat dat ik het over mijn benen voelde lopen. “Allez, petit dauphin,” zei ik, “toe maar, schiet op, straks komt er iemand binnen.” Maar hij maakte geen aanstalten. Dus kwam ik van het aanrecht af en ging tegen hem aan staan. Ik greep tussen zijn benen. Zijn kruis was nat van voorvocht. Traag zakte ik door mijn knieën en al even traag knoopte ik zijn pantalon open. De mannenbroek viel op de Oxford schoenen van het jochie.
‘Doet dat ertoe? Nou goed. Zacht knijpend, alsof ik verf uit een tube liet lopen. Zijn geslacht tegen zijn buik, daaronder de gladde, bleke huid van zijn balzak, die verstijfd was door de aanrakingen of door de kou en zich in drie gelijke plooien verdeelde. Met korte likjes, als een klein katje, begon ik van onderaf. Zijn eerste keer moest hemels worden.
‘Natuurlijk, anders had ik het nooit gedaan. Hij stamelde dat ik mooi was, bewonderde mijn haren en mijn ogen. Om op te vreten, toch? Het vreemde was dat hij naarmate ik het tempo wat opvoerde Franse woorden begon op te rakelen. Eerst hoorde ik alleen vage stukken, maar al snel herkende ik het en kon de tekst reproduceren: Souvent, pour s’amuser, les hommes d’équipage / Prennent des albatros, vastes oiseaux des mers, / Qui suivent, indolents compagnons de voyage, / Le navire glissant sur les gouffres amers.
‘Precies, L’Albatros. Het gedicht komt uit de bundel Les fleurs du mal. Toeval? Ammehoela. Dit was zijn manier om dominant te zijn. Of misschien was het wel een sardonisch eerbetoon. Natuurlijk, de vertaling is De bloemen van het kwaad, maar met een beetje goede wil staat daar de Fleur van het Kwaad. Precies, ik dus. Intussen pulseerde de boel vrolijk door daar beneden. En onder het dromerige Frans zoog ik hem naar binnen. Niet veel later zakte het warme vocht, traag maar voelbaar, in me weg.
‘Hij hielp me omhoog en gaf me een kus op mijn voorhoofd. Daarna ben ik gaan zwemmen met Paul en de kinderen. Een week later lag er een pakketje bij de post. Chez Fleur, stond erop. U kunt wel raden welk boek ik uitpakte.’