Seymour wrijft over het korstje op zijn kin waar hij al de hele dag zijn nagel niet onder kan krijgen. De Spa rood die hij precies elf minuten geleden bestelde, staat nog onaangeroerd bij zijn linkerelleboog. Een buitenproportioneel groot stuk citroen dreef aanvankelijk aan de oppervlakte, maar zonk zojuist naar de bodem. Het sissende geluid van de koolzuurbubbels stopte in minuut zeven al.
Seymour houdt zo onopvallend mogelijk de lobby in de gaten, waar Mia Sandrova druk gebarend praat tegen een meisje van hooguit twaalf, wier ouders even verderop bij de receptie staan. De logistiek van een opdracht sluit toevallige ontmoetingen als deze niet uit, maar het kleine beetje geluk dat er voor nodig is twee volstrekt vreemden op een zeker moment en op de juiste plek langs elkaar heen te laten leven, is Seymour zelfs vandaag niet gegund. Dat kind moet daar weg.
Toen Seymour de meest strategische plek aan de bar uitkoos, had hij het koude staal nog tegen zijn heup gevoeld. Inmiddels heeft de handzame revolver zijn lichaamstemperatuur overgenomen. De loop schuurt tegen zijn zweterige huid en blijft er aan plakken. Klam, als kleingeld dat te lang in je handpalm geklemd zit.
Seymour durft zijn jasje niet uit te doen, bang dat de serveerster de vreemde bobbel onder zijn hemd zal zien en herkennen. Hij is bang dat ze het nu al kan zien, met haar felgroene ogen. Ze heeft hem in de afgelopen tien minuten onophoudelijk in de gaten gehouden.

Toen Seymour de meest strategische plek aan de bar uitkoos, had hij het koude staal nog tegen zijn heup gevoeld.

Momentum. Zijn vader had Seymour eindeloos op het hart gedrukt dat dat het enige was wat telde. Dat ene ogenblik waarop je alles zo scherp ziet dat je geen vizier nodig hebt, die fractie van een seconde waarin je de miniemste beweging in het universum lijkt te registreren. Snap je het momentum en weet je hoe het op te roepen, dan schiet zelfs een middelmatige schutter raak. Zijn vader begon er al over toen Seymour nog maar soldaatje speelde in de achtertuin, het devies veranderde niet toen er eenmaal echte wapens en mensen van vlees op het spel stonden.
Seymour had het momentum nog nooit mogen beleven. Sterker nog, hij deed maar wat. Van de drie broers was hij bovendien de slechtste schutter.

‘U bent geen snelle drinker, hè.’
De serveerster staat onverwacht tegenover hem aan de andere kant van de bar en kijkt hem vragend aan met die gifgroene ogen. Ze is klein van stuk, met zware borsten die ze op een onnatuurlijke manier vooruitduwt, waardoor ze op de bar lijken te liggen.
‘Bent u hier alleen?’ Op haar blouse is de naam van het hotel gestikt, ‘Hôtel Bourbon l’Archambault’. De sierlijke krullen aan de onderkant van de letters verdwijnen bij iedere beweging in een andere vouw van de stugge, donkerblauwe stof. Het stoort Seymour vreselijk dat het een Franse naam is. Alsof dat enige vorm van exclusiviteit toevoegt. Wie goed kijkt, ziet dat de Rothko’s achter de bar van goedkoop canvas zijn en versleten randen hebben.
‘Ik slaap hier niet.’ Seymour richt zijn blik weer op de lobby, waar Mia en het meisje nog wat dichter bij elkaar zijn gaan zitten. Wie niet beter weet, zou denken dat het moeder en kind betreft.
‘Heeft u een date?’
‘Ik drink een Spa rood.’ Het barmeisje verplaatst haar gewicht steeds van het ene naar het andere been, met haar borsten wrijft ze de bar op, alsof ze wil dat hij gaat glimmen.
‘Grappig. Ik heb u nog geen slok zien drinken.’ Met een kleine vertraging registreert Seymour de spottende ondertoon in haar stem, hij weet dat het momentum niet meer zal komen. Hij had het heel even gevoeld toen Mia binnen kwam geslenterd; voordat het kind er was. Maar toen had hij zijn Spa rood nog niet gekregen. Op de een of andere manier had het fatsoen daarop te wachten hem afgeleid.
Mia lacht. Seymour kan van deze afstand niet verstaan waar ze het over hebben. Het meisje naast Mia slaat haar benen over elkaar zoals haar moeder dat waarschijnlijk zou doen. Ze heeft onberispelijke lakschoentjes aan, halfopen, met een dun bandje over de wreef en een zilverkleurige gesp aan de zijkant. Een tijdschrift dat ze van de bijzettafel heeft gepakt, ligt opengeslagen op haar schoot.
Dit duurt te lang, en hoe meer minuten er verstrijken, hoe zekerder Seymour er van is dat hij alle regels overtreedt: hij was aan de bar gaan zitten, had iets besteld, had nota bene een praatje gemaakt, ook al was het tegen zijn zin. Hij probeert in te schatten wat zijn beste kans is, maar hoe meer hij erover nadenkt, hoe meer hij het idee krijgt dat zijn benen hem niet zullen dragen als hij eenmaal opstaat.

illustratie Bloeme van Bon bij tekst Lotte Lentes

De serveerster vult aan het einde van de bar de koelkasten bij. Seymour luistert naar het ritmische getik van de flesjes die worden gestapeld. Hij kan nu zijn wapen trekken. Het enige wat hij hoeft te doen is zijn linkerbeen op de grond zetten, naar achter leunen, laden, richten en schieten. In plaats daarvan houdt hij zijn handen op zijn knieën en ontspant hij zich. Er staat een rij voor de receptie. Een puisterige jongen in een te klein piccolopak staat nagelbijtend voor de lift, waar al enkele minuten niemand meer in of uit is gestapt.
Seymour kijkt naar Mia en ziet nu pas hoe knap ze eigenlijk is. De gebruinde lange benen die onder haar jurk vandaan steken, de zwarte haren die ze om de zoveel tijd met een nonchalante tik van haar rechterhand over haar schouder slaat. Het kind luistert geamuseerd naar haar, volgt haar bewegingen. Seymour bedenkt zich hoe vreemd het is dat hij niets van Mia weet, behalve dat zij teveel van iets weet. Iets wat zich volledig buiten haar, maar ook volledig buiten hem afspeelt. Ze zijn allebei niet meer dan een omstandigheid. Twee randfiguren.

‘Wacht u misschien op iemand?’ De serveerster heeft een accent, het oosten klinkt erin door. Seymour twijfelt of hij haar er naar zal vragen als hij opmerkt dat het gesprek tussen Mia en het meisje is stilgevallen. De man en de vrouw die al die tijd aan de receptie stonden, wenken het kind. Seymour meent te horen dat ze Emily heet. Mia lacht en zwaait naar haar, draait dan haar hoofd en kijkt Seymour recht in de ogen. In een reflex wil hij zich verbergen achter een zuil, maar Mia’s blik houdt hem vast. Hij durft zich niet te bewegen.
‘Als u op iemand wacht, dan denk ik eerlijk gezegd niet dat ze nog komt.’
Nu. Het kan nu.
‘Of had u pas om half zes afgesproken?’
Seymour ziet hoe Mia’s blik verandert. Ze kan hem niet herkennen, heeft hem nog nooit eerder ontmoet, maar ze herkent onherroepelijk de omstandigheden.
Seymour zet zich schrap. Hij moet nu, het kan nu. Ze staat op.
‘Meneer?’
Mia loopt gedecideerd richting draaideur, voor een kort moment is ze achter de zuil verdwenen en wanneer ze er weer achter vandaan komt, ziet Seymour enkel nog hoe haar lange, zwarte haar het stuk rug bedekt dat haar jurk bloot laat. Dan verdwijnt ze de draaideur in. De loop van de revolver prikt onaangenaam in het bot van zijn heup.

Ze zijn allebei niet meer dan een omstandigheid. Twee randfiguren.

Te laat. Hij is te laat, was dat al voordat hij de barkruk naar achteren trok en ging zitten. Vóór de Spa rood. Vóór Emily. Vóór het barmeisje. Vóór Mia die nu van hem wegloopt, recht in de armen van zijn broers die buiten wachten in de donkergroene vluchtwagen. Zij zullen niet twijfelen, maar daadkrachtig zijn. Mia heeft geen kans. Ze zullen Seymour later opwachten aan de keukentafel, waar hij zal moeten vertellen waarom het ook dit keer niet lukte: de barvrouw, het kind, de Spa rood. En misschien dat ze hem vanaf nu voor altijd achter in de vluchtauto laten zitten, waar hij de kaart vasthoudt, maar niemand hem ooit om de weg vraagt. Die taak past hem beter, denkt Seymour. Hij legt geld op de bar voor de Spa rood en gaat op zoek naar een nooduitgang.